Want bloed is dikker dan water
Vier mannen, vier aparte kamers. En toch hadden ze allemaal dezelfde achternaam. ‘Broers?’ vroeg ik langs mijn neus weg bij het inchecken. Dat waren ze zeker, antwoordde één van hen. Maar daarna bleef het stil.
3 Oktober 2026
Vier mannen, vier aparte kamers. En toch hadden ze allemaal dezelfde achternaam. ‘Broers?’ vroeg ik langs mijn neus weg bij het inchecken. Dat waren ze zeker, antwoordde één van hen. Maar daarna bleef het stil. De eerste ochtend kwamen ze ongeveer om de beurt ontbijten en zagen we ze de rest van de dag niet meer. Op de zondagochtend verschenen ze wel allemaal op hetzelfde tijdstip aan de ontbijttafel en was het een drukte van jewelste. Er werd gepraat, er werd gelachen. De energie tussen hun was merkbaar veranderd.
Bij het uitchecken vroegen ze of ze ‘met potlood’ alvast konden reserveren voor een jaar later. Vier kamers als dat mogelijk was. Anders mocht twee ook wel. Ik keek ze blijkbaar vragend aan. ‘U snapt er zeker niets van,’ dachten ze hardop. Ik zei dat het natuurlijk ook mijn zaken niet waren maar dat ze me wel nieuwsgierig maakten.
Hun verhaal raakte me.
Ze woonden hier vroeger in de buurt met hun ouders. Na hun overlijden was het contact tussen hen verwaterd. Al had dat niet al te veel voorgesteld, want toen ze nog thuis woonden was het eeuwig mot tussen hen. Op het sterfbed hadden ze hun moeder moeten beloven dat ze een beetje op elkaar zouden letten.
‘En nu geen ruzie meer maken jongens,’ had ze gezegd.
Dit weekend hadden ze afgetrapt. Vooral omdat hun moeder het meer dan verdiend had. Maar het was ze meegevallen. Iets met bloed dat dikker is dan water?